Klik hier om terug te gaan naar de hoofdpagina van EVIN

Klik hier voor uitleg over de Eagle Strata 128 en de Fish Id 128

Klik hier voor uitleg over de Eagle Grayline (zoals gebruikt bij de Strata)

Algemene toepassing van visvinders

Werking van een visvinder

Visvinders werken op het Sonar principe. Er worden hoogfrequente geluidsgolven uitgezonden welke weerkaatst worden door objecten onder water zoals de bodem, vissen. Ook een in het water 'zwevende' plastic zak kan een reflectie geven en tot een valse visindicatie leiden. Lucht en gasbellen onderbreken eveneens het uitgezonden sonarsignaal en zullen tot storing of ruis leiden.

De sonar wordt uitgezonden en ontvangen door de transducer die meestal achter de boot is bevestigd. De geluidsgolven worden in een soort conus, vergelijkbaar met de lichtkegel van een zaklantaarn, uitgezonden. Deze hoek varieert meestal tussen de 8 en 45 graden. Wanneer men in diep water vist kan men beter met een transducer met kleinere hoek gebruiken en naarmate het water ondieper wordt, een transducer met een grotere hoek.

Visvinders zijn bijvoorbeeld nauwelijks efficient in zeer ondiep water zoals sloten en kleine vaarten, aangezien er dan maar een zeer klein gebied wordt bestreken wat notabene direct achter/onder de boot ligt. Eventuele vis zal door het overvaren van de boot wegzwemmen en niet worden waargenomen. Ook zal moerasgas dat vrijkomt en omhoogborrelt veel ruis en storing op de visvinder opleveren. Bij een transducerhoek van 53-graden is de breedte van het bestreken gebied op de bodem ongeveer gelijk aan de diepte.

Bedenk dat wanneer je een gewone verbrandings-buitenboordmotor gebruikt, je ook vis zult verjagen. De vis die zich hoger bevindt zul je dan waarschijnlijk niet te zien krijgen aangezien de doorsnede van de conus uitgezonden door de transducer hier zeer smal is. Wanneer je met een visvinder in ondiepere plassen of meren vist of op vis aan de oppervlakte is een electrische buitenboordmotor aan te bevelen.

Watertemperatuur en thermoclines.

De temperatuur van het water heeft een belangrijke, zeg maar regulerende, invloed op de activiteit van elke vis. sen zijn koudbloedig en hun lichaam heeft altijd de temperatuur van het omringende water. Gedurende de winter verlaagt houd water hun stofwisseling (metabolisme). In deze tijd hebben ze maar ongeveer een kwart nodig van het voedsel dat ze in de zomer consumeren.

Als de watertemperatuur kouder of warmer is dan bepaalde kritische waarden, paaien vissen niet. Met een oppervlaktethermometer kunt u voor verscheidene soorten grofweg bepalen of het water de gewenste temperatuur heeft.

Forel kan bijvoorbeeld niet overleven in beken die te warm worden. Baars overleeft enkel in meren die in de zomer niet te koud blijven. Hoewel de temperatuurstolerantie waarbinnen vissen leven per soort verschilt, heeft elke vis een bandbreedte waarbinnen hij leeft. Scholen vissen in diep water zwemmen in een deel of op een diepte waarvan deze temperatuur binnen deze waarden ligt. We nemen aan dat de vis zich hier het meest op zijn gemakt voelt en/of dat zijn voedsel ook daar leeft.

De temperatuur en het temperatuurverloop van het water in een meer is zelden constant van het oppervlak tot aan de bodem. Er vormen zich lagen van verschillende temperaturen. De grens van een warme en een koude waterlaag wordt thermocline genoemd.

De diepte en dikte van de thermocline kan per seizoen en tijdstip van de dag verschillen. In diepe meren kunnen er twee of meer zijn op verschillende diepten. Thermoclines zijn belangrijk voor vissers omdat dat de gebieden zijn waar vissen het meest actief zijn. Vaak zwemt aasvis net boven de thermocline terwijl grote (roof) vissen erin of er net onder zwemmen.

De meeste visvinders kunnen thermoclines opsporen maar de gevoeligheid moet meestal hoger worden gezet om de thermocline te zien.

Prooi of aasvisjes

Het belang van aasvisjes kan niet genoeg worden benadrukt, Ze zijn het hoofdvoedsel van vrijwel alle roofvissen. Aasvisjes zijn de insecten en plankton-etende visjes zoals voorn en elft maar ook jonge roofvissen als zonnebaars en jonge gewone baars.

Veel aasvisjes concentreren zich, wanneer het meer diep genoeg is, zo'n 5 meter onder de oppervlakte waar zonlicht ervoor zorgt dat de plankton, waarop de aasvisjes fourageren, kan groeien.

Een goede vismethode voor het vissen op roofvis als snoekbaars, is eerst de aasvisjes localiseren. Zo'n school zie er op de meeste displays uit als een 'wolk'. De roofvis houdt zich meestal iets dieper dan de aasvisjes op.

Hoe een meer of plas te onderzoeken met een visvinder.

Uiteraard leer je ene plas of meer het beste kennen door er elke dag te vissen, jaar in, jaar uit. Je leert zo de plekken kennen waar en wanneer de vis zit.

Een succesvolle visser realiseert zich dat productieve stekken gedurende het jaar veranderen afhankelijk van het waterniveau, temperatuur, tijd van het jaar en van de dag, etc.

Met een visvinder hoef je niet meer te gissen. Je kunt je eerst concentreren op gebieden waar je denkt dat er (veel) vis zit. Zelfs al ben je voor de eerste keer op een bepaald meer. Met een visvinder kun je gemakkelijk de diepten waarop de vissen zich bevinden zien. Hierdoor hoef je je enkel op die diepte concentreren waar de vis zich bevindt en je kunt na enig onderzoek ook gebieden localiseren waar zich veel vis bevindt. Zoals eerder beschreven bevindt de roofvis zich meestal onder de prooivis. Afhankelijk van je doel kun je dus selectief vissen op bijvoorbeeld witvis of op roofvis als snoekbaars.

Er zijn verschillende methoden te onderscheiden hoe met een visvinder om te gaan. Welke de beste is hangt af van o.a. de transducer-signaal-hoek. Bijvoorbeeld een 20-graden transducer bestrijkt maar een relatief klein gebied onder de transducer. Bij een transducer-hoek van 53-graden geldt dat de diepte overeenkomt met de breedte van het bestreken gebied.

Naar mate de signaal-hoek van de transducer groter wordt kan er doelgerichter gevist worden. De kans dat men vis op de display te zien krijgt wordt ook groter. Je kunt dus beter zien hoe groot een school vis is en of er zich een roofvis onder de school ophoudt.

Met een visvinder met een kleine signaal-hoek kan men bijvoorbeeld wel goed de diepte van de bodem van een meer in kaart brengen en de diepste stukken vinden. Ook kun je de thermocline zien en een goede indruk krijgen van de diepte waar de prooi- of aasvisjes zich bevinden zodat je op de juiste diepte kunt vissen.

Een efficiente manier om bekend te raken met een meer of plas met een visvinder is door erop heen en weer varen en op een kaart of eventueel een schets van de betreffende plas of meer, de diepte in kaart te brengen. Gebruik hiervoor referentiepunten aan wal. Wanneer die er onvoldoende zijn kun je markeer boeien (een steen met een drijver aan een touw voldoet al) gebruiken om die over boord te gooien wanneer je over een veelbelovende plek vaart. Sommige soorten vis zullen zich (mede afhankelijk van de tijd van het jaar en dag en de watertemperatuur) op de diepste gedeelten van een bevinden, welke m.b.v een visvinder eenvoudig te vinden zijn.

Wanneer u een school vissen ontdekt gooit u een boei uit. Nadat de school gemarkeerd is, vaart u terug naar precies de juiste plek om daar te gaan vissen. Wanneer u de school niet markeert, kan het gebeuren dat u de school niet terug vindt (vooral op grote meren of op zee).

Er zij overigens visvinders met GPS (Global Positioning System) die zeer nauwkeuig de plaats kunnen bepalen en waar je zeer eenvoudig de locatie van een school kunt aangeven die je dan weer gemakkelijk kunt terugvinden.